Reis in Utah en Arizona - De Aarde en haar Volken, 1886
Tissandier, Albert, 1839-1906
Dutch
We will print you a perfectly bound paperback of your selected title and send it to you at your nominated address
Below is a summary of Reis in Utah en Arizona - De Aarde en haar Volken, 1886
Bladzijde 377Reis in Utah en Arizona.
Door Albert Tissandier.
Het zuidelijk gedeelte van het land der Mormonen, Utah en het plateau van Kaibab in Arizona,—die merkwaardige streken, welkeik in Juni 1885 heb bezocht,—zijn in Europa zoo goed als onbekend, en zelfs bij de Amerikanen maar zeer gebrekkig bekend.Zij weten er over het algemeen weinig meer van, dan hetgeen zij vernomen hebben van den heer Powell, den directeur van deGeological Survey. Sedert vijftien jaren heeft genoemde heer talrijke ontdekkingstochten gedaan in deze zonderlinge streken; met medewerkingvan den heer Thompson en andere geologen, heeft hij van deze landstreek uitmuntende geologische kaarten vervaardigd.
Hem ben ik ook de inlichtingen verschuldigd, die mij in staat hebben gesteld, dit interessante uitstapje te ondernemen; ikacht mij gelukkig, hem hiervoor openlijk mijn dank te kunnen betuigen.
Van Salt-Lake-City brengt de spoortrein mij in dertien uren naar Milford, waar mijne reis eerst wezenlijk begint. Dit spoorreisjedoor het land der Mormonen verschilt zeer wezenlijk van andere dergelijke tochtjes. Zoodra men de boorden van het Utahmeerachter den rug heeft, ziet men weinig anders dan dorre zandige woestijnen. De stations waar de trein stilhoudt, zijn poveregehuchten: een daarvan, Juab genaamd, waarschijnlijk wel het aanzienlijkste, bestaat uit vijf of zes houten huizen.
Tegen den avond gebruiken wij met den conducteur en zijne helpers het middagmaal, naast den bagagewagen. Behalve mijn persoon,is er in den trein nog slechts een passagier: mijn reisgenoot, de heer Lund. Het eten wordt op een kachel gekookt: de spijzenzijn hoogst eenvoudig, maar de beambten willen zeer gaarne met ons deelen en vragen slechts eene zeer geringe vergoeding.Ten negen uren des avonds komen wij te Milford; eene kleine, van planken getimmerde woning dient voor hotel.
Den volgenden morgen, ten zeven uur, neem Bladzijde 378ik met den heer Lund plaats in den postwagen, die ons naar Silver-Reef moet brengen. Deze postwagen is een zeer primitiefrijtuig zonder veeren en met harde banken, waarvan de zittingen met kiezelsteenen schijnen te zijn opgevuld; het dekzeil ofde huif is vol gaten. Op de nauwelijks gebaande wegen dwarrelen voortdurend dichte stofwolken omhoog, die ons dreigen te verstikken.
In deze wildernissen zwerven, het geheele jaar door, talrijke kudden rond, die geheel aan zich zelven zijn overgelaten. Wijzien ze nu en dan in de verte. Wanneer eene koe of een schaap van honger sterft en op den nauwelijks kenbaren weg bezwijkt,slaat niemand daar acht op; het rijtuig gaat een weinig ter zijde om het doode dier te vermijden, dat daar blijft liggen tothet geheel verrot is.—Een aantal hazen, opgeschrikt door het paardengetrappel en het ratelen der wielen, rennen voor ons uit;zij trachten zich te verbergen onder de blauwachtige bladeren van kwijnende saliestruiken, de eenige gewassen in deze wildernis,en zien van daar ons rijtuig na. Nu en dan bespeuren wij ook kleine, fraaie eekhorentjes, die zich haastig uit de voeten maken,en ook wolven, die op een afstand rustig rondsluipen.
Na een zeer vervelenden rit van twaalf uren, steeds door stofwolken omgeven, komen wij eindelijk te Cedar-City, een mormoonschdorp, dat mij, te midden dezer eentonige wildernissen, bijna eene bloeiende oase schijnt. Hier zijn betrekkelijk mooie straten,met boomen beplant; steenen huizen en tuinen, met vruchtboomen en groenten, en door groenende hagen omringd. Murmelende, kristalhelderebeekjes, van de bergen afgedaald, verspreiden zich naar alle kanten en loopen ten slotte uit in eene kleine rivier, wier zachtmelodisch ruischen het oor streelt.—Boven Cedar-City verrijst een vrij hooge berg van rooden zandsteen. In het rond strekkenzich akkers en weilanden uit.
De heer Lund is zelf mormoon en kent al de inwoners. Zijn eerste werk is, mij bij den bisschop van Cedar-City te brengen,waar wij een avondmaal en nachtlogies vinden. De bisschop is landbouwer. Naar het schijnt, heeft hij twee vrouwen: maar ikheb slechts eene van die dames gezien, ongetwijfeld de oudste. Zij schijnt mij eene verstandige en wel onderwezen vrouw tezijn; zij bediende ons aan tafel. Het huis van den bisschop, dat uitmunt door onberispelijke zindelijkheid, dient tot logementvoor de zeer weinige reizigers, die zich te Cedar-City moeten ophouden, en tevens tot telegraafkantoor. In den salon brandteen lekker vuur, waaraan wij ons kunnen warmen; in de kamers liggen tapijten. Op de tafel liggen eenige dagbladen; tegen denschoorsteen hangt in eene lijst de godsdienstige kalender, die de voorschriften bevat voor iederen dag. Des avonds speeldende dochters van den bisschop op een kamerorgel; een jong mensch, dien ik aanvankelijk voor een arbeider had gehouden, kwamnetjes gekleed binnen en zong met de meisjes verschillende romances.
Met den heer Lund bezoek ik vervolgens nog eenige andere mormoonsche landbouwers. In alle huizen heerscht dezelfde orde, dezelfdeonberispelijke zindelijkheid, hetzelfde comfort: men heeft moeite om zich te overtuigen dat men zich in eene landstreek bevindt,zoo ver van de beschaafde wereld verwijderd.
Tegen drie uren in den morgen moeten wij weder vertrekken; de heer Lund gaat met mij mede. Wij nemen afscheid van den bisschopen zijne familie; allen waren opgestaan om ons de hand te drukken en goede reis te wenschen. Tegen een uur komen wij te Silver-Reef:daar beginnen de grootsche rotspartijen van Utah.
De landschappen in deze streek en die van Kaibab in Arizona vertoonen niet de minste overeenkomst met soortgelijke ons bekendelandschappen in Europa. Het gras der prairieën groeit op een bodem van zandsteen, die schier alle kleuren van den regenboogvertoont: groen, wit, rose, paars, geel, enz. De bergen, voor het meerendeel insgelijks uit zandsteen, vertoonen dezelfdebonte mengeling van kleuren. Al deze verschillende verwen en tinten, vaak zonder eenigen overgang, vlak naast elkander, vormeneen geheel, dat een zeer zonderling, onbeschrijfelijk effect maakt. Onder het volle zonlicht maakt dit landschap op mij eenfantastischen, bijna onmogelijken indruk: te meer, daar ook de flora een niet minder vreemdsoortig karakter vertoont. De veelkleurigebloemen, de ceders met hun donkergroen gebladerte, de blauwachtige saliestruiken doen dit wonderlijk, dit bijkans bedwelmendkleurenspel nog te duidelijker uitkomen.
Ik vertoef een dag te Silver-Reef, een stadje van ongeveer vierhonderd zielen, dat in bloeienden toestand verkeert, dank zijde nabijheid van zilvermijnen, die voor eenige jaren werden ontdekt en waarvan sommigen vrij rijk zijn. Op aanbeveling vanmijn reisgenoot, laat de heer Allen mij de mijn bezichtigen, waarvan hij directeur is. Zij heeft eene diepte van ongeveerdrie-en-tachtig meters en een omvang van vierhonderd meters. Sedert zes jaren is deze mijn in exploitatie; gedurende dientijd heeft zij achttien millioen dollars opgeleverd. De erts wordt vooral in fossiele lagen van waterplanten gevonden. Demijn is uitgegraven in dikke banken van groenen en witten zandsteen; de zuivering van de erts geschiedt in eene werkplaats,in de onmiddellijke nabijheid van de mijnen.
Back