Een reis naar de Philippijnen - De Aarde en haar Volken, 1886
Montano, Joseph, 1844-
Dutch
We will print you a perfectly bound paperback of your selected title and send it to you at your nominated address
Below is a summary of Een reis naar de Philippijnen - De Aarde en haar Volken, 1886
Bladzijde 1Reis naar de Philippijnen
Tot de belangrijke teekenen des tijds behoort ongetwijfeld het toenemend gewicht, dat, in de laatste jaren vooral, het kolonialevraagstuk gekregen heeft. En hiermede bedoel ik niet de kwestie omtrent de wijze van beheer van onze oost-indische bezittingenen hetgeen daarmede in verband staat; ik vat de zaak ruimer op, en bedoel de toenemende belangstelling, die aan het kolonialevraagstuk gewijd wordt, ook daar waar men zich vroeger met deze kwestie bijna niet bezig hield; het streven, dat in verschillendestaten steeds meer op den voorgrond treedt, om het oude koloniaal bezit uit te breiden of zich voor het eerst nieuwe koloniënte verwerven. Het machtige Duitsche rijk heeft, tot groote verbazing van anderen, eensklaps dien weg ingeslagen, en heeftdat gedaan met die beslistheid, die energie, die doortastende wilskracht, die steeds de handelingen kenmerkt van den grootenstaatsman, wiens schepping het nieuwe Duitschland is, en wiens schier onstuimig optreden misschien wel juist op deze ongewonewijze geschiedt, om bij de toeschouwers de gedachte op den achtergrond te dringen dat al deze schijnbaar onbesuisde en geïmproviseerdestappen niet anders zijn dan de ontwikkeling van een fijn berekend, diep doordacht plan. Dit streven van de eerste militairemogendheid van Europa naar koloniaal bezit, naar macht en invloed ook ver buiten Europa, heeft reeds zeer gewichtige gevolgengehad, en zal waarschijnlijk, misschien reeds in eene nabijzijnde toekomst, tot zeer verrassende uitkomsten leiden. Frankrijk,op zijn beurt, heeft de oogen naar het verre Oosten Bladzijde 2geslagen en zich gewikkeld in avonturen, die duizenden menschenlevens en millioenen schats verslinden, die de krachten deslands uitputten, en toch in het gunstigste geval maar een zeer povere uitkomst schijnen te kunnen hebben.—Met verbazing, metingehouden toorn, met kwalijk verborgen ongerustheid slaat Engeland deze gebeurtenissen gade: op een gebied, waarop het meendevan rechtswege alleen meester te zijn en geen mededinger te moeten dulden, ziet het eensklaps een zeer ernstigen mededingeroptreden, wiens verschijning juist daarom zoo verontrustend is omdat niemand weet wat hij eigenlijk wil en hoever hij zalgaan, terwijl men toch overtuigd is dat hij een vast plan heeft en op een doel afgaat, hem alleen bekend. Wat zal Engelanddoen? Heeft het oude Brittanje, waar, onder menig opzicht, de toestanden zoo zonderling, zoo angstwekkend, men zou bijna zeggenzoo hopeloos verwikkeld zijn; dat voor de oplossing van zoo geduchte problemen, politieke en sociale, is geplaatst,—heefthet oude Brittanje nog de kracht den schepter der zeeën te omklemmen, en zijn onmetelijk koloniaal gebied te verdedigen ente handhaven? Of is ook voor Engeland het uur gekomen of in aantocht, het noodlottig uur, dat in vroeger en later eeuw, metonverbiddelijke noodzakelijkheid, geslagen heeft voor alle staten, wier gansche streven opging in handelsbelang, wier geheelepolitiek uitsluitend werd beheerscht door de kwestie van winst of verlies: het noodlottig uur, waarin de op dit ééne doelgerichte nationale kracht blijkt opgeteerd en niet langer in staat om de verworven schatten, die den naijver van velen opwekken,te beschermen en de hand af te weren, naar dien rijken buit uitgestrekt?—Wie weet, of niet spoediger dan menigeen denkt, dehistorie op die vraag het antwoord zal geven.
Deze gebeurtenissen, waarbij ook de belangen van ons vaderland zoo nauw betrokken kunnen zijn, hebben niet alleen eene politieke,maar ook eene sociale beteekenis. Wat is het, dat de volken van Europa dus aandrijft om zich in andere werelddeelen bezittingente verwerven, invloed te verzekeren; om zich met geweld en vaak door de onverdedigbaarste middelen toegang te verschaffentot rijken en staten, die van dergelijke aanraking liefst verschoond bleven: wat anders, dan de klimmende, de dringende endwingende noodzakelijkheid om telkens nieuwe uitwegen, nieuwe markten te openen voor de tot het onzinnige opgevoerde produktie?De fraaie woorden, die men in den mond voert, kunnen het brutale feit niet verbergen, dat het in den grond der zaak om nietsanders te doen is dan om het grove, materieele eigenbelang. Of liever, het is om iets ergers, iets ernstigers te doen: hetis in den vollen zin des woords eene levenskwestie: en juist dat geeft aan de verschijnselen en gebeurtenissen, die bezigzijn zich voor onze oogen te ontwikkelen, eene inderdaad tragische beteekenis. Zie Engeland. Hoe het jubelde en roemde, toende wondervolle veroveringen en ontdekkingen der wetenschap de industrie opvoerden tot eene vroeger nooit gedroomde hoogte;toen het duizendvoudig vermenigvuldigde en onophoudelijk verbeterde werktuig in fabelachtig korten tijd den arbeid verrichtte,die vroeger de inspanning zou hehben gevorderd van millioenen menschen en van vele jaren; toen van alle einden der wereldde grondstoffen werden aangevoerd om in de reusachtige fabrieken verwerkt te worden, en dan op nieuw naar alle einden derwereld verzonden. Hoe vermenigvuldigden zij zich, die machtige fabrieken, het leven van gansche distrikten tot zich trekkende;hoe ging zij met reuzenschreden vooruit, de groote industrie, dorpen en vlekken omscheppende in bloeiende steden, waar dehonderdduizenden zich verdrongen; steeds verder en verder om zich grijpende tot haar invloed elken anderen verdrong, voorhaar belang elk ander wijken moest, tot, in waarheid, feitelijk de macht van den staat, het welzijn des volks, het leven deslands, aan haar hing. En zij arbeidde maar immer voort, rusteloos, onverpoosd: want hield zij op, dan waarde het gebrek rond,dan teisterde de bleeke honger de duizenden en duizenden, die alleen van haar leefden; dan voeren schokken en trillingenals van een broedenden vulkaan door de ontroerde maatschappij. Zij moest voortwerken—stilstand was de ondergang. Zoo werktezij dan voort, altijd op nieuw en altijd weer voortbrengende, de produktie vermeerderende ... tot op eenmaal bleek, dat ervoor die produkten geen koopers meer te vinden waren; dat de met steeds voller en met geweldiger golven bruisende stroom geenuitweg meer had. Dan moesten, tot elken prijs, nieuwe wegen geopend, nieuwe markten opgespoord; dan werden, zonder schijn zelfs van recht of reden, oorlogengevoerd en expedities—echte rooverstochten—ondernomen, om tot dusver gesloten havens te doen openen, tot dusver ontoegankelijkelanden en volken te trekken binnen den noodlottigen toovercirkel. Dan werd telkens eene nieuwe prooi den onverzadelijken Mammonin den muil geworpen: en weer ging het voort, rusteloos, onverpoosd, koopende en verkoopende, altijd en altijd door voortbrengende,schatten op schatten stapelende, als kon daar nooit een einde aan komen. Toch komt dat einde met onverbiddelijke noodzakelijkheid.Daar treden mededingers op; de macht, die gewoon was de wereld te dwingen, ziet—zij het ook nog in nevelige omtrekken—eensterkere in aantocht, die haar den buit kan ontrooven; een duister voorgevoel van de naderende, geweldige crisis doorhuivertde trotsche gestalte; het schemerend besef doemt op, hoe dit schitterende gouden beeld dat de oogen der wereld verblindde,op leemen voeten rust; hoe onzeker, hoe kunstmatig, hoe gevaarlijk deze schijnbaar zoo vaste, zoo onwrikbare positie is; hoegeheel die voorspoed, die onmetelijke rijkdom afhankelijk is van omstandigheden, die men niet op den duur beheerschen kan,en in een enkelen beslissenden schok reddeloos verloren kan gaan. Is het wonder, dat dit besef, dit voorgevoel de kracht vanden arm verlamt, soms het hoofd doet duizele
Back