Van 't viooltje dat weten wilde
Metz-Koning, Maria Catherina, 1864-1926
Dutch
We will print you a perfectly bound paperback of your selected title and send it to you at your nominated address
Below is a summary of Van 't viooltje dat weten wilde
Prepared by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team.
Gemaakt door Jeroen Hellingman en het PG gedistribueerd proeflees team.
VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE
DOOR MARIE METZ-KONING
INHOUD.
Van 't Viooltje dat weten wilde
De Tulp en de Madeliefjes
Elze
De Watermolen. Wat het Beekje vertelde
VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE.
In het bosch, aan den rand van een smal zandpad, stond een klein
viooltje, een blauw, ach, zoo zacht-blauw viooltje: blauw, als
denkende kinderoogen, als oogen, waar diep-in raden van levensdroefheid
angstigt. 't Stond wonder klein in 't groote bosch.
Hoog, recht, streefden de dennen er òp uit de aarde. Hun kruinen
reikten in 't licht. Geheimzinnige zangen zongen ze. Geheimzinnige,
eentonige zangen, die als slaapliedjes sussen de menschenziel, de
moede, denk-moede menschenziel. Donkere zangen van melancholie zongen
ze voor den eenzame, zangen van geluk voor wie niet eenzaam is.
Glad, lichtgroen mos golfde aan hun voeten uit. Het golfde op en neer,
glanzende lichtplekken makende in het donkere van de boomen-schaduw.
Dat was waar de dennekruinen al 't licht namen; maar aan den rand van
het met afgevallen denne-naalden bestrooide zandpad, waar iets meer
licht viel, stond wat kort, dor gras, en daartusschen het viooltje.
Dit was de wereld van 't blauwe bloempje, de wereld waarin het
ontwaakte, op een warmen zomerdag, verbaasd en niets begrijpende
van al die groote dingen om zich heen: die hooge, rechte, trotsche
boomen, die boven alles uit het licht zagen, en welker kruinen over
het zandpad elkander raakten.
Het waren geen vertrouwelijke boomen, met takken hier en daar laag
aan de stammen, waar de wind onder fluisterde, en die bescherming
wuifden. Ze waren recht, steil als orgelpijpen, en stonden haast alle
op gelijken afstand van elkaar.
Het viooltje staarde vragend van den eenen boom naar den anderen,
van den anderen weer naar een volgenden en dan weer naar volgende
boomen, die achter elkaar schoven en in de verte weg-reiden. Ze keek
angstig naar al de spitse, bruin-geworden denne-naalden, die om haar
heen lagen, en naar het korte, spitse gras, dat er uitzag alsof het
pijn wou doen.
Ze zag door de denne-kruinen heen kleine stukjes blauw van den hemel,
en daarheen zag ze gaarne; want daar was het licht!
Zoolang het dag was en ze den hemel kon zien, vond ze haar wereld wel
eentonig, maar toch draaglijk. Toen 't avond begon te worden en 't
licht wegtrok, met zichtbare schokjes: eerst tusschen de boomstammen,
toen van 't pad, en eindelijk boven de kruinen, vond ze het vreeselijk
daar zoo eenzaam te staan, en rilde ze van angst; vooral toen de wind
wat sterker werd.
De wind!... het streelen over haar heen van iets dat ze niet
zag!... het angstig wegbuigen van 't gras, naar één kant op!... het
fluiten en joelen langs de stammen!... het kraken en vallen van doode
takjes uit de kruinen!... en vooral het ver aankomen en sterk boven
haar gaan van machtige tonen, hoog in de dennen... tonen die zwollen,
weg-ruischten, stierven, en weer kwamen aansuizen, telkens weer,
zonder rust!... O! het maakte haar bang!... 't Was haar, of een booze
geest door 't bosch joeg, angst over haar heen ademend!
Eindelijk, toen 't licht weer kwam, eerst tusschen de kruinen,
toen op 't pad, en langzaam voortkruipende de boomrijen in waar 't
verdween, voelde ze zich wat geruster. Het ruischen en zingen hoog
in de donker-groene dennen duurde voort; maar langzaam aan werd ze
er vertrouwd mee. De volgende dagen en nachten luisterde ze er naar,
zich geheel overgevende aan het genot van luisteren. Ze leerde hooren:
Back