Van Toledo naar Granada - De Aarde en haar Volken, 1906
Dieulafoy, Jane, 1851-1916
Dutch
We will print you a perfectly bound paperback of your selected title and send it to you at your nominated address
Below is a summary of Van Toledo naar Granada - De Aarde en haar Volken, 1906
Bladzijde 369Van Toledo naar Granada.
Naar het Fransch van Mevr. Jane Dieulafoy.
I.
De aanblik van Castilië.—De rondtrekkende kudden.—De Mesta.—De Taag en haar dichters.—De Cuesta del Carmel.—De Cristo de laLuz.—De hydraulische machine van Juanilo Turriano.—De Zocodover.—Oude paleizen en antieke synagogen.—De Joden van Toledo.—Eenherinnering aan de overstrooming van de Taag.
“Van Madrid naar Toledo,” schrijft een spaansch schrijver uit de 18de eeuw, “leidt een volkomen vlakke weg.”
Hoe waar is dat nog steeds, en wat is die weg somber en eentonig, die zich tusschen de hoofdstad van het moderne Spanje ende oude hoofdstad van het westgothisch rijk uitstrekt! Nauwelijks heeft men de huizen van Madrid, die amphitheatersgewijsgerangschikt zijn boven den blauwen halven cirkel van de Guadarramaketen, uit het gezicht verloren, of men betreedt een streekzoo verlaten, dat ze iemand een huivering bezorgt.
Boven zich ziet men den hemel onverstoorbaar blauw, en beneden strekt zich eene eentonige, grijze vlakte uit, bezaaid metsprieten van een harde grassoort, en hier en daar de asch van het stroo, dat terstond na den oogst verbrand wordt. De zeerweinige dorpen, waarvan de hutten gebouwd zijn van aarde of van steenen, die de kleur van den grond hebben, zijn haast niette onderscheiden. Men zou ze heelemaal niet zien, wanneer niet enkele boomen een mager bouquetje van groen deden oprijzenrondom de armoedige plaatsjes. Als men door de kale vlakte gaat, komt men tot de overtuiging, dat de bevelen van den Raadvan Castilië, waarbij aan elken dorpsbewoner de plicht werd opgelegd, minstens vijf boomen per jaar te planten, wel slechtwerden opgevolgd.
De oorsprong van die antieke verordening klimt seker wel op tot een periode uit het grijs verleden. Bladzijde 370Zou zij mogelijk nog in verband staan met zekere oude wetten van den godsdienst, waarbij het aanplanten van boomen, het ontginnenvan woeste gronden en het telen van vee behoorden tot de vrome werken, door Ormuzd, den god van het oude Perzië, bevolen engezegend? De Arabieren hadden zich in hun omzwervingen te zeer gemengd onder de volken, die ze onderworpen hadden, en de Perzenhadden door hun wetenschap, hun intelligentie en hun kunstzin te veel indruk op hen gemaakt, dan dat zij aan dien invloedkonden zijn ontsnapt. Moet men zich erover verbazen, als ze aan dat volk hun wetten ontleenden en de daar heerschende overleveringenmeebrachten naar Spanje, wetten, die de Christenen na de verdrijving van den erfvijand wijs genoeg waren te behouden? Watzou het te wenschen zijn geweest, dat ze de bepalingen onveranderd hadden gelaten, die den akkerbouw regelden; de helft vanSpanje zou niet onvruchtbaar en dor zijn zooals tegenwoordig.
Hoe het zij, men behoeft geen moeite te doen, boomen te zoeken tusschen Madrid en Toledo. Men zou er zijn oogen vruchteloosbij inspannen en er zijn geduld bij verliezen.
Zeker, de Castiliaan houdt wel van schaduw, die de hitte van de gloeiende zon tempert; maar hij houdt meer van de graankorrels,die opgegeten zouden worden door de vogels, nestelend in het gebladerte der boomen. Wat kan den landman het gekweel der vogelsschelen, van die beeldige bouquetjes van vederen, zooals Calderon ze zoo aardig noemt, als hij denkt aan den oogst, dien hijheeft gezaaid, gewied en ingehaald met zwaren, noesten arbeid! Enkel de nachtegaal en de zwaluw vinden genade in zijn oogen,maar alleen omdat ze insecten verdelgen en de insecten verderfelijk zijn voor den oogst. De Castiliaan is arm; hij heeft slechtste kiezen tusschen het eene of het andere kwaad!
Als vergoeding mogelijk is Castilië rijk aan historische en legendarische herinneringen.
Te Esquivias zal men niet nalaten, zich het huwelijk en het langdurige verblijf van Cervantes ter plaatse te herinneren; ietsverder zal men zich de schaduw van den ridder van de droevige figuur voor den geest roepen, die van Sancho Pansa en zelfsdie van Dulcinea, wier geboortedorp het in de onmiddellijke nabijheid gelegen Toboso was. Al wat in die geschiedenis voorkomt,heeft sporen nagelaten in het land, en tot Rossinante toe, tot het rijdier van Sancho Pansa, tot de kudden; waar de Ridderop aan viel, hebben een talrijke nakomelingschap gekregen in magere paarden, domme ezels en langharige merinosschapen. Wiezou eraan durven twijfelen? Om zoo’n ongeloovigen Thomas te straffen, zou het nog niet eens voldoende zijn, dat men de Inquisitieweer in het leven riep.
Het is niet de eerste keer, dat ik die rondzwervende kudden aantref, die al sedert oude tijden van de eene naar de andereweide trekken van het eene eind van Spanje naar het andere, al naar de wisselende seizoenen. Ze zijn niet van heden of gisteren,die zwervende kolonies, geleid door herders te paard en gehoed door halfwilde honden, alle planten wegvretend van den gronden dien daardoor onvruchtbaar houdend, terwijl ze hem onder hun voeten treden.
Millioenen schapen in het bezit van een soort van genootschap, bekend onder den naam van Mesta en waartoe de grootste heerenen de abten van de rijkste kloosters behoorden, lieten zich in de lente en den herfst in sommige streken neer, waar hun korte,
Back