Wat eene moeder lijden kan
Conscience, Hendrik, 1812-1883
Dutch
We will print you a perfectly bound paperback of your selected title and send it to you at your nominated address
Below is a summary of Wat eene moeder lijden kan
HENDRIK CONSCIENCE
WAT EENE MOEDER LIJDEN KAN
I
Het was uitermate koud in de laatste dagen der maand Januari 1841. De
straten der stad Antwerpen hadden haar winterkleed aangenomen en
glinsterden van zuivere witheid; de sneeuw viel echter niet bij zachte
vlokken, noch verheugde het oog met hare duizend dooreenspelende
pluimkens; integendeel, zij viel kletterend en als hagel tegen de
vensterglazen der geslotene huizen,--en de bittere noorderwind joeg de
meeste burgers, die zich op hunnen dorpel vertoonden, terug naar de
gloeiƫnde kachel.
Niettegenstaande de bitsigheid der koude, en alhoewel het slechts negen
ure in den morgen was, zag men, mits den Vrijdag, vele personen
voorbijgaan. De jonge lieden poogden zich door loopen te verwarmen, de
goede burgers bliezen grimmend in de vingeren en de werklieden sloegen
zich met geweld de armen om het lichaam.
Op dit oogenblik ging er eene vrouw vrij langzaam door de Winkelstraat,
welker inwoners zij wel moest kennen, daar zij uit en in de arme huizen
ging, en deze telkens met eene uitdrukking van genoegen verliet. Een
satijnen mantel, die gewis met watten gevuld was, bedekte hare fijne
leden, een fluweelen hoed drukte haar zwierig hoofd en hare wangen, die
een weinig door de zure lucht verpurperd waren; eene boa omslingerde
haren hals, en hare handen verborgen zich in eene fraaie moffel. Deze
juffer, die genoegzaam rijk scheen, bevond zich op den dorpel van een
huis, in hetwelk zij gereed stond om binnen te treden, toen zij
eensklaps in de verte eene andere juffer harer kennis zag aankomen; zij
bleef bij de deur der arme woning staan, totdat hare vriendin haar nabij
was; dan ging zij haar met eenen gullen lach te gemoet, en sprak haar
aldus aan:
"Eenen goeden dag, Adela. Hoe gaat het?"
"Tamelijk wel, en met u?"
"God zij dank, ik ben gezond en zoo verheugd dat ik het u niet zeggen
kan"
"Waarom? Het schijnt mij dat het weder zoo vermakelijk niet is?"
"Ja, voor mij wel, Adela. Ik ben nog maar een uur uit het bed, en reeds
heb ik twintig arme woningen bezocht. Maar ik heb armoede gezien, lieve
Adela, armoede dat het hart er van breken zou. Honger, koude, ziekte,
naaktheid,--het is onbegrijpelijk. Ho, ik acht mij gelukkig bemiddeld te
zijn, want het is zoo verheugend goed te doen!"
"Men zou zeggen, dat gij goesting hebt om te weenen, Annah! Ik zie water
in uwe oogen blinken;--wees toch zoo gevoelig niet. De arme menschen
zijn immers dezen Winter zoo niet te beklagen? Zie eens wat uitdeelingen
er geschieden: kolen, brood, aardappelen, het wordt er alles in
overvloed gegeven. Gisteren zelfs schreef ik nog in voor vijftig
franken; en ik mag u wel zeggen, dat ik liever mijn geld laat uitdeelen
dan zelf in al die vuile woningen te gaan."
"Adela, gij kent geene arme menschen. Oordeel ze niet op die slordige
bedelaars, die het rondhalen van aalmoezen als een goed ambacht aanzien,
en hunne kleederen met inzicht vervuilen en scheuren, om den afschrik of
het medelijden in te boezemen. Kom met mij, ik zal u werklieden toonen,
wier kleederen niet gescheurd zijn, wier huishouden niet vuil is, en
wier mond zich niet zal openen om te vragen, maar alleen om te danken en
te zegenen. Gij zult den afgrijselijken honger op hunne wezenstrekken
geschilderd zien,--het zwarte brood bevrozen tusschen de verstijfde
vingeren der kinderen, de tranen der moeder, de sombere wanhoop des
vaders.... Ho! sloegt gij een oog op dit stomme tafereel van smart en
lijden, wat engelenblijdschap zoudt gij vinden in dit alles met een
weinig gelds te veranderen.--Gij zoudt die arme kinderen zich dansend
aan uwe kleederen zien hechten; de moeder met saamgevoegde handen u
toelachen; den vader, door dankbaarheid verdwaald, uwe fijne hand in
zijne beenige handen drukken en met brandende tranen besprengen!--En
dan, dan zoudt gij ook tranen van zaligheid storten, Adela, en gij zoudt
uwe handen aan de hunne, hoe ruw ook, niet onttrekken.... Zie, Adela, de
gedachtenis van zulke stonden ontroert mij te zeer!"
Terwijl Annah, met diep gevoel en met treffende stem, dit tafereel
schetste, had hare vriendin niet gesproken; zelfs niet van die korte
woorden of klanken welke de deelneming van den aanhoorder aanduiden. De
ontroering harer vriendin was geheel in haar overgegaan, en toen Annah
haar aanzag, was zij juist bezig met haren zakdoek uit hare moffel te
halen, om twee tranen die op hare wangen gingen rollen, uit hare oogen
te vegen.
"Annah," sprak zij, "zie, ik ga met u de arme menschen bezoeken. Ik heb
geld genoeg in mijne tasch. Laat ons dezen ganschen morgen besteden aan
goede werken. Ho, wat ben ik blijde dat ik u ontmoet heb!"
De goede Annah bezag hare vriendin met aandoening, en haar gelaat drukte
Back